Een dynamische schooldag gaat niet alleen over extra beweegmomenten. Ook de manier waarop we het onderwijs organiseren én de fysieke leeromgeving inrichten, kan ervoor zorgen dat leerlingen gedurende de dag vanzelf meer bewegen. Soms zonder één nieuw meubel aan te schaffen.
We weten dat bewegen belangrijk is voor kinderen en jongeren. Toch brengen veel leerlingen nog een groot deel van hun schooldag zittend door. Van de instructie aan tafel naar de verwerking aan diezelfde tafel. Daarna een volgende instructie, opnieuw op dezelfde plek.
Wanneer we spreken over de dynamische schooldag, denken we al snel aan bewegend leren, beweegtussendoortjes, gymonderwijs of meer naar buiten gaan. Allemaal waardevol. Maar er ligt wat mij betreft nog een interessante laag onder:
Hoe kunnen we de schooldag zó organiseren en de fysieke leeromgeving zó gebruiken dat bewegen vanzelfsprekender onderdeel wordt van leren?
Daarvoor hoeven we niet direct het hele onderwijsconcept om te gooien.
Van bewegen als activiteit naar bewegen als onderdeel van de dag
Een beweegtussendoortje toevoegen is relatief overzichtelijk. Je onderbreekt het zitten en laat leerlingen een paar minuten bewegen.
Maar wat gebeurt er als we niet alleen kijken naar wanneer leerlingen bewegen, maar ook naar hoe de schooldag is georganiseerd?
Stel: een leerling krijgt instructie. Daarna volgt een verwerkingsopdracht.
De meest gebruikelijke situatie is dat het materiaal al in het laatje onder de tafel ligt. De leerling pakt het schrift en blijft zitten waar hij of zij al zat.
Het kan ook anders. Materialen kunnen bijvoorbeeld op een centrale plek in het lokaal liggen. Na de instructie staat de leerling op, haalt de benodigde materialen en kiest vervolgens een passende werkplek. Dat lijkt een klein verschil. Gedurende een volledige schooldag ontstaan zo meerdere natuurlijke beweegmomenten.
Niet omdat we tegen leerlingen zeggen: “Nu gaan we bewegen.”
Dit omdat bewegen onderdeel is geworden van de organisatie van het leren.
Wat heb ik nodig om hier goed aan te werken?
Daar zit voor mij nog een tweede interessante stap in. Na een instructie zou de vraag namelijk niet automatisch hoeven zijn: Pak je schrift en blijf zitten. We kunnen leerlingen ook leren zichzelf andere vragen te stellen:
Wat ga ik doen?
Wat heb ik daarvoor nodig?
En welke plek helpt mij om dit goed te kunnen doen?
Misschien wil een leerling geconcentreerd lezen en kiest hij voor een rustige nis. Een ander moet iets uitwerken en staat graag aan een hoge tafel. Weer een ander werkt prettig aan een gewone tafel, terwijl twee leerlingen voor een samenwerkingsopdracht juist een plek zoeken waar ze kunnen overleggen. Daarmee gaat het niet alleen over bewegen. Het gaat ook over leerlingen bewust leren kiezen welke omgeving past bij de leeractiviteit én bij wat zij op dat moment nodig hebben.
Moet dan ineens al het meubilair flexibel zijn?
Nee. Bij het ontwerpen van leeromgevingen zie ik regelmatig de gedachte ontstaan dat een dynamische of flexibele leeromgeving automatisch betekent dat alles verrijdbaar moet zijn. Tafels op wielen. Stoelen op wielen. Verrijdbare kasten. Flexibiliteit zit niet alleen in het meubel. Het zit minstens zo sterk in hoe je de ruimte organiseert en gebruikt.
Misschien is het voldoende als enkele tafels relatief gemakkelijk te verplaatsen zijn, zodat er snel ruimte in het midden van het lokaal kan ontstaan. Creëer zo verschillende typen werkplekken zonder dat deze iedere dag van positie veranderen.
De vraag is dus niet:
Hoe flexibel is ons meubilair?
Maar:
Hoeveel verschillende activiteiten en gedragingen ondersteunt onze omgeving gedurende een schooldag?
Dat is een wezenlijk ander vertrekpunt.
Afwisseling zonder steeds te verbouwen
Een dynamische leeromgeving hoeft niet te betekenen dat een leerkracht zes keer per dag met tafels en stoelen aan het schuiven is. Sterker nog: als flexibiliteit voortdurend handelingen en organisatietijd vraagt, is de kans groot dat deze uiteindelijk nauwelijks wordt gebruikt. Daarom kan het juist interessant zijn om te werken met verschillende, herkenbare plekken.
Een reguliere zitplek.
Een hoge tafel om staand of op een kruk te werken.
Een lage plek.
Een rustige nis.
Een plek voor samenwerking.
Een lege zone die tijdelijk voor beweging kan worden gebruikt.
Dan hoeft het meubilair niet voortdurend te veranderen. De leerling beweegt tussen de plekken.
En daarmee ontstaat vanzelf afwisseling tussen zitten, staan en bewegen.
“Maar wordt dat niet ontzettend onrustig?”
Dat is een begrijpelijke vraag. Als dertig leerlingen op ieder willekeurig moment mogen opstaan, rondlopen, spullen pakken en ergens anders gaan zitten, kan een ruimte inderdaad onrustig worden. Let op keuzevrijheid betekent niet hetzelfde als vrijblijvendheid.
Een dynamische leeromgeving vraagt juist om heldere routines, verwachtingen en afspraken. Wanneer mag je van plek wisselen? Hoe kies je een werkplek? Hoeveel leerlingen kunnen ergens werken? Hoe haal je materialen? Welk geluidsniveau hoort bij welke zone?
Die routines ontstaan niet vanzelf. Ze moeten worden aangeleerd en ingeoefend. En dat helpt bij het voorkomen van chaos.
Bij kleuters vinden we dit heel normaal
Eigenlijk is het interessant dat we dit bij jonge kinderen vaak heel vanzelfsprekend vinden. Een kleuter zit in de kring, krijgt uitleg en gaat vervolgens naar een activiteit. Het kind loopt naar een hoek, pakt materiaal, kiest een plek en gaat aan de slag. Later wordt er gewisseld. Niemand verwacht dat een kleuter de volledige ochtend op dezelfde stoel aan dezelfde tafel blijft zitten. Naarmate leerlingen ouder worden, organiseren we onderwijs vaak steeds statischer. De eigen tafel wordt de centrale plek van waaruit bijna alles gebeurt.
Maar waarom eigenlijk?
Natuurlijk vraagt onderwijs aan oudere leerlingen om andere routines en vaardigheden. Maar het principe dat verschillende activiteiten ook verschillende plekken en houdingen kunnen vragen, is niet leeftijdsgebonden. Dat principe kan binnen het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, mbo én hoger onderwijs interessant zijn.
Wat ga ik doen, wat heb ik nodig en welke plek helpt mij daarbij?

